HOME

Petanque wordt gespeeld met door de FIPJP goedgekeurde boules die
1. van metaal zijn;

2. een diameter hebben van ten minste 7,05 en ten hoogste 8,00 cm;

3. een gewicht hebben van ten minste 650 en ten hoogste 800 g; het handelsmerk van de fabrikant en het gewicht moeten in de boules zijn gegraveerd en altijd leesbaar zijn; bij wedstrijden die uitsluitend toegankelijk zijn voor jeugdspelers van 11 jaar of jonger zijn boules van 600 g en 65 mm diameter toegestaan, mits vervaardigd door een erkende fabrikant.

4. niet zijn gevuld met lood of zand; in algemene zin mogen zij geen enkele bewerking of andere opzettelijke verandering hebben ondergaan na de vervaardiging door een erkende fabrikant (zogenaamde getrukeerde boules); het is met name verboden de boules opnieuw te verhitten (na te gloeien) teneinde de door de fabrikant gegeven hardheid te veranderen. Naam en voornaam van de speler, of zijn initialen, mogen echter in de boules worden gegraveerd, evenals diverse aanduidingen van de fabrikant, volgens de overeengekomen specificaties van het fabricageproces.

Ondeugdelijke boules

Een equipe waarvan een speler schuldig wordt bevonden aan het overtreden van de regels van punt 4 van het vorige artikel, wordt onmiddellijk van het toernooi uitgesloten (gediskwalificeerd). In geval van getrukeerde of nagegloeide boules riskeert de speler intrekking van zijn licentie gedurende een periode waarvan de duur is vastgelegd in het reglement tuchtrechtspraak. Daarnaast kan de rechtsprekende commissie van de bond waarbij de schuldige speler is aangesloten, hem nog andere sancties opleggen.
Als de boules geleend zijn en de eigenaar bekend is, wordt de laatste geschorst voor een periode waarvan de duur is vastgelegd in het reglement tuchtrechtspraak van de bond waarbij hij is aangesloten. Als een niet–getrukeerde, maar versleten of ondeugdelijk vervaardigde boule een controle niet met succes doorstaat of niet voldoet aan de eisen 1, 2 of 3 van het voorgaande artikel, moet de speler deze vervangen. Hij mag ook de hele set boules vervangen.
Een door spelers ingediend protest met betrekking tot de punten 1, 2 of 3 kan alleen vóór de partij worden ingediend. De spelers hebben er dus belang bij zich ervan te vergewissen dat hun boules en die van hun tegenstander aan de gestelde eisen voldoen.
Een protest met betrekking tot punt 4 kan gedurende de gehele partij worden ingediend, maar alleen tussen twee werpronden in. Als een dergelijk protest echter na de derde werpronde wordt ingediend en ongegrond blijkt, worden drie punten opgeteld bij de score van de tegenstander.
Als er boules moeten worden opengemaakt, is de indiener van het protest aansprakelijk. Met name is hij gehouden de boules, als die in orde blijken te zijn, te vergoeden of te vervangen. In geen geval echter kan van hem schadevergoeding worden geëist.
De scheidsrechter of de jury mag te allen tijde de boules van een of meer spelers controleren.

Goedgekeurde buts

Buts zijn van hout of van kunststof. In het laatste geval dragen zij het handelsmerk van de fabrikant en heeft de FIPJP officieel erkend dat zij aan de overeengekomen specificaties van het fabricageproces voldoen. Buts hebben een diameter van ten minste 25 en ten hoogste 35 mm. Geverfde buts, ongeacht de kleur, zijn toegestaan.

Licenties

Een licentie moet voldoen aan de eisen die de bond stelt, en in het bijzonder zijn voorzien van een recente, gestempelde pasfoto en de handtekening van de houder. Voor het begin van een toernooi moet iedere speler zijn licentie tonen aan de wedstrijdleiding. Hij moet deze ook tonen op verzoek van de scheidsrechter of van zijn tegenstander, tenzij de licentie bij de wedstrijdleiding berust.

Terrein

Petanque kan op ieder terrein worden gespeeld. De wedstrijdleiding of de scheidsrechter kan de equipes echter een afgebakend terrein toewijzen. In dat geval moet dit terrein, voor het landelijke gedeelte van nationale kampioenschappen en voor internationale toernooien, ten minste 4 m breed en 15 m lang zijn.

Voor andere toernooien kan de bond afwijkingen van deze afmetingen toestaan, tot een minimum van 3 bij 12 m.
Als speelterreinen elkaar raken, wordt de gemeenschappelijke scheidingslijn aan de kopse zijde van een
terrein beschouwd als uitlijn.

Als het terrein van een afzetting is voorzien, moet de afstand tussen deze afzetting en de grens van niet toegestaan terrein (de uitlijn of verlieslijn) ten minste 30 cm bedragen. De afstand tussen de afgebakende terreinen en de uitlijn bedraagt ten hoogste 4 m. Deze regels gelden met name voor een finaleterrein.

Een partij gaat tot en met 13 punten. In voorronden en cadragepartijen kan eventueel worden gespeeld tot en met 11 punten.

Begin van het spel; de werpcirkel

De equipes tossen om te bepalen welke equipe het terrein kiest en het but als eerste uitwerpt. Als de wedstrijdleider de equipes een terrein heeft toegewezen, moet het but op dit toegewezen terrein worden uitgeworpen. De equipes mogen niet zonder toestemming van de scheidsrechter uitwijken naar een ander terrein. Een speler van de equipe die de toss heeft gewonnen, kiest de plaats waar wordt begonnen en trekt een cirkel waar de voeten van elke speler geheel in passen; de diameter van deze werpcirkel bedraagt echter ten minste 35 en ten hoogste 50 cm. Als gebruik wordt gemaakt van een voorgefabriceerde cirkel moet deze een binnendiameter van 50 cm hebben.

De cirkel geldt voor de drie opeenvolgende uitworpen waarop de equipe recht heeft, en moet worden geplaatst of getrokken op ten minste één meter van enig obstakel of de grens van niet–toegestaan terrein en, bij niet–afgebakende terreinen, op ten minste twee meter van enige andere in gebruik zijnde werpcirkel.

De equipe die het but gaat uitwerpen moet alle werpcirkels in de nabijheid van de te gebruiken cirkel uitwissen. Het binnendeel van de werpcirkel mag geheel geëffend worden gedurende de werpronde, maar moet aan het eind daarvan, of in elk geval voordat in de volgende werpronde het but wordt uitgeworpen, in de oude staat worden hersteld. De werpcirkel is geen niet–toegestaan terrein.

Tijdens het werpen van boules moeten de voeten van de speler binnen de cirkellijn blijven (zij mogen deze niet deels bedekken); zij mogen de werpcirkel niet verlaten of geheel van de grond komen vóór de geworpen boule de grond raakt. Geen ander lichaamsdeel mag de grond buiten de werpcirkel raken. Bij wijze van uitzondering mogen zij die het gebruik van een been missen met slechts één voet binnen de werpcirkel plaatsnemen.

Voor spelers in een rolstoel geldt dat ten minste één wiel (aan de zijde van de werparm) zich binnen de werpcirkel moet bevinden.
Dat een speler het but uitwerpt betekent niet dat hij ook de eerste boule moet werpen.

Voorgeschreven afstanden bij het uitwerpen van het but

Bij het uitwerpen van het but is het slechts geldig als:

1. De afstand van het but tot de voorkant van de werpcirkel
. voor pupillen ten minste 4 en ten hoogste 8 m,
. voor aspiranten ten minste 5 en ten hoogste 9 m, en
. voor junioren en senioren ten minste 6 en ten hoogste 10 m bedraagt;

2. De afstand van de werpcirkel tot enig obstakel en tot de uitlijn ten minste één meter bedraagt;

3. De afstand van het but tot enig obstakel en tot de uitlijn ten minste één meter bedraagt.

4. het but zichtbaar is voor een speler die geheel rechtop in de werpcirkel staat, met de voeten zover mogelijk van elkaar verwijderd; in geval van twijfel beslist de scheidsrechter of het but zichtbaar is; tegen zijn beslissing is geen beroep mogelijk. In de volgende werpronde wordt het but uitgeworpen vanuit een werpcirkel die getrokken wordt rond het punt waar het lag aan het einde van de vorige werpronde, behalve als:

1.. de werpcirkel zich op een afstand van minder dan één meter van enig obstakel of de uitlijn zou bevinden;
2. het but niet op alle toegestane afstanden zou kunnen worden uitgeworpen.

In het eerste geval trekt de speler de werpcirkel op de kortst mogelijke toegestane afstand van het obstakel
of de uitlijn.
In het tweede geval mag de speler de positie van de werpcirkel achterwaarts verplaatsen in het verlengde van de lijn tussen de werpcirkel en de positie van het but in de voorgaande werpronde, maar niet verder dan tot hij het but op de maximaal toegestane werpafstand kan uitwerpen. Dit mag alleen als het but in geen enkele richting op de maximaal toegestane werpafstand kan worden uitgeworpen.

Als na drie opeenvolgende pogingen door eenzelfde equipe het but nog altijd niet reglementair is uitgeworpen, gaat het over naar de tegenstander die eveneens drie pogingen mag doen, en de werpcirkel achterwaarts mag verplaatsen zoals in de vorige alinea is beschreven. In dit geval mag de werpcirkel niet nogmaals worden verplaatst, zelfs niet als ook deze equipe niet slaagt in haar drie pogingen.

In elk geval werpt de equipe die het but na de eerste drie worpen moest afstaan, de eerste boule.


Ongeldig uitwerpen van het but

Als het but bij het uitwerpen wordt tegengehouden door de scheidsrechter, een speler, een toeschouwer, een dier of enig bewegend voorwerp, is het ongeldig en moet het opnieuw worden uitgeworpen; de uitworp telt dan niet mee voor het aantal van drie waarop de equipe recht heeft.
Na het uitwerpen van het but en van de eerste boule mag de tegenstander nog altijd de geldigheid van de ligging van het but betwisten. Als het bezwaar terecht blijkt, worden het but en de boule opnieuw gespeeld. Om het but opnieuw te kunnen uitwerpen moeten beide equipes het erover eens zijn dat het ongeldig lag, of de scheidsrechter moet dat hebben beslist. Als een equipe in strijd hiermee handelt, verliest zij het recht het but uit te werpen.
Heeft ook de tegenstander een boule geworpen, dan wordt het but geacht geldig te liggen en wordt er geen protest tegen de ligging meer in overweging genomen.

Ongeldige ligging van het but

Het but is ongeldig in de volgende zes gevallen:

1. als het tijdens een werpronde over de uitlijn wordt verplaatst, zelfs als het daarna weer op toegestaan terrein terugkomt (een but op de uitlijn is geldig; het is pas ongeldig als het recht van boven bezien de uitlijn geheel is gepasseerd); een plas water waarin het but vrij drijft is niet–toegestaan terrein;

2. als het verplaatst is, en vanuit de werpcirkel niet meer zichtbaar is zoals in artikel 7 is beschreven (als het but achter een boule verscholen is, is het echter enkel op grond daarvan niet ongeldig; de scheidsrechter mag een boule tijdelijk wegnemen om na te gaan of het but zichtbaar is);

3. als het wordt verplaatst naar meer dan 20 m van de werpcirkel (voor senioren en junioren), of naar meer
dan 15 m (voor aspiranten en pupillen), of naar minder dan 3 m;

4. als bij afgebakende terreinen het but een onmiddellijk naastgelegen terrein geheel heeft overschreden;

5. als het verplaatst en zoek is en niet binnen vijf minuten wordt gevonden; of

6. als zich niet–toegestaan terrein bevindt tussen de werpcirkel en het but.


Kleine obstakels

Het is de spelers verboden een klein obstakel dat zich op het terrein bevindt te verwijderen, te verplaatsen, in de grond te drukken of plat te stampen. De speler die het but gaat uitwerpen, mag niettemin de plek onderzoeken waar hij zijn boule wil laten neerkomen (de donnée), door daar ten hoogste drie keer met een van zijn boules op te kloppen. Bovendien mag een speler van de equipe die aan de beurt is, de inslag van de laatst gespeelde boule dichtmaken.

Spelers die zich niet houden aan deze regels, riskeren de sancties genoemd in artikel 34.

Artikel 10bis Vervanging van but of boule

Het but of een boule mag tijdens een partij slechts in de volgende gevallen worden vervangen:

1. als het but of een boule zoek is en niet binnen vijf minuten wordt gevonden.
2. als het but of een boule in stukken breekt: in dat geval bepaalt het grootste stuk de ligging; als er in de werpronde nog boules gespeeld moeten worden, wordt het but of de boule — indien nodig na meting — onmiddellijk vervangen door een but of een boule van (ongeveer) dezelfde diameter; in de volgende werpronde mag de betreffende speler ook de hele set boules vervangen.


Verborgen of verplaatst but

Als het but tijdens een werpronde onverwachts wordt bedekt door een boomblad of een papiertje, wordt dat verwijderd.
Als het but in beweging komt, bijvoorbeeld door de wind of de helling van het terrein, wordt het teruggelegd op zijn oorspronkelijke plaats, mits deze was gemarkeerd.

Hetzelfde gebeurt als het but per ongeluk door de scheidsrechter, een speler, een toeschouwer, een boule of een but uit een andere partij, een dier of enig bewegend voorwerp wordt verplaatst. Om onenigheid te voorkomen moeten spelers de plaats van het but markeren. Protesten met betrekking tot niet–gemarkeerde buts en boules worden niet in overweging genomen.

Wordt het but verplaatst door een boule uit dezelfde partij, dan blijft het geldig.


But in ander spel

Als het but tijdens een werpronde naar een ander terrein wordt verplaatst (al dan niet afgebakend), blijft het geldig, tenzij artikel 9 van toepassing is.
Als het but terechtkomt op een terrein waar een andere partij gespeeld wordt, wachten de spelers die met het verplaatste but spelen indien nodig tot de spelers van de andere partij hún werpronde hebben beëindigd, en maken daarna hun eigen werpronde af.
Alle betrokken spelers dienen geduld en hoffelijkheid te betrachten.

De equipes spelen de volgende werpronde op het aanvankelijk gebruikte terrein en het but wordt uitgeworpen vanaf het punt vanwaar het verplaatst werd, overeenkomstig de voorwaarden uit artikel 7.

Puntentelling bij ongeldig geworden but

Als het but tijdens een werpronde ongeldig wordt, kunnen zich de volgende drie gevallen voordoen:

1. beide equipes hebben nog boules te spelen: de werpronde eindigt onbeslist;
2. slechts één equipe heeft nog boules te spelen: deze equipe krijgt zoveel punten als zij nog boules te
spelen heeft.
3. geen van beide equipes heeft nog boules te spelen: de werpronde eindigt onbeslist


Tegengehouden but

1. Als het but, na te zijn weggeschoten, door een toeschouwer of de scheidsrechter wordt tegengehouden, blijft het liggen waar het tot stilstand komt.
2. Als het but, na te zijn weggeschoten, door een speler wordt tegengehouden, heeft zijn tegenstander de keuze uit:
a. het but te laten liggen op zijn nieuwe plaats;
b. het but terug te leggen op zijn oorspronkelijke plaats; en
c. het but neer te leggen in het verlengde van de lijn van zijn oorspronkelijke naar zijn nieuwe plaats, op ten hoogste 20 m afstand van de cirkel (15 m voor aspiranten en pupillen), en zo dat het zichtbaar is.
Om b. of c. te kunnen kiezen moet de plaats van het but tevoren gemarkeerd zijn geweest. Als dat niet het geval is, blijft het but liggen op zijn nieuwe plaats.
Als het but wordt weggeschoten, op niet–toegestaan terrein terechtkomt, en weer op het terrein terugkomt, wordt het als ongeldig beschouwd en worden de regels van artikel 13 toegepast.


Werpen van boules

De eerste boule van een werpronde wordt geworpen door een speler van de equipe die de toss heeft gewonnen of als laatste punten heeft behaald. Daarna werpt steeds de equipe die niet op punt ligt. De speler mag van geen enkel voorwerp gebruik maken noch een streepje op de grond aanbrengen, om zijn boule te geleiden of de plaats te markeren waar hij zijn boule wil laten neerkomen.Wanneer hij zijn laatste boule werpt, mag hij in zijn andere hand geen extra boule houden.

Boules moeten 1 voor 1 geworpen worden.
Eenmaal geworpen boules mogen niet opnieuw worden geworpen. Boules moeten echter opnieuw worden geworpen als zij onderweg van de werpcirkel naar het but zijn tegengehouden of uit hun koers zijn geraakt door een boule of een but uit een andere partij, door een dier, door enig bewegend voorwerp, en in het geval genoemd in de tweede alinea van artikel 8.

Het is verboden boules of het but te bevochtigen.

Een speler moet, vóór hij een boule werpt, deze ontdoen van elke eraan klevende substantie. Een speler die zich niet aan deze regel houdt, riskeert de sancties genoemd in artikel 34.

Als de eerste boule op niet–toegestaan terrein terechtkomt, moet de tegenstander zijn eerste boule spelen, daarna spelen beiden om de beurt, zolang er geen boule op toegestaan terrein ligt. Als er als direct of indirect gevolg van schieten geen enkele boule meer op toegestaan terrein ligt, gelden de regels van artikel 28.

Gedrag van spelers en toeschouwers

Gedurende de tijd die een speler reglementair ter beschikking staat om zijn boule te werpen, moeten de toeschouwers en andere spelers stil zijn. De tegenstanders mogen niet lopen, gebaren, of iets anders doen dat de speler af zou kunnen leiden. Alleen zijn medespelers mogen zich tussen de werpcirkel en het but bevinden.

De tegenstanders moeten zich voorbij het but of achter de speler bevinden, in beide gevallen zijwaarts van de speelrichting, en bovendien op ten minste 2 m afstand van but en speler. Spelers die zich niet houden aan deze regels kunnen worden gediskwalificeerd als zij, na een officiële waarschuwing van de scheidsrechter, volharden in hun gedrag.


Oefenen; boules die het afgebakende terrein verlaten

Tijdens een partij mag niet worden geoefend. Een speler die zich niet aan deze regel houdt, riskeert de sancties genoemd in
artikel 34.
Boules die tijdens de werpronde het afgebakende terrein verlaten, blijven geldig (tenzij artikel 18 van toepassing is).

Ongeldig geworden boules

Een boule is ongeldig zodra hij op niet–toegestaan terrein terechtkomt. Een boule op de uitlijn is geldig; de boule is pas ongeldig als hij de uitlijn geheel is gepasseerd, dat wil zeggen als hij, recht van boven bezien, geheel voorbij de uitlijn ligt. Dit geldt evenzo als bij afgebakende terreinen de boule een onmiddellijk naastgelegen terrein geheel heeft overschreden.

Als de boule vervolgens op het terrein terugkomt, hetzij vanwege de helling van het terrein, hetzij na contact met een bewegend of stilstaand voorwerp, wordt hij meteen uit het spel genomen, en alles wat hij na het overschrijden van de uitlijn heeft verplaatst wordt op zijn oorspronkelijke plaats teruggelegd.

Een ongeldige boule moet meteen worden opgeraapt en voor de betreffende werpronde uit het spel worden genomen. Als dat niet gebeurt, wordt hij automatisch geldig zodra de tegenpartij een boule gespeeld heeft.

Tegengehouden boules

Als een boule na het werpen wordt tegengehouden door een toeschouwer of door de scheidsrechter, blijft hij liggen op zijn nieuwe plaats. Als een boule na het werpen wordt tegengehouden door een speler van de equipe waartoe deze boule behoort, is hij ongeldig

Als een geplaatste (gepointeerde) boule wordt tegengehouden door een tegenstander, beslist de speler de boule opnieuw te werpen of hem te laten liggen op zijn nieuwe plaats. Als een geschoten (getireerde) of weggeschoten boule wordt tegengehouden door een speler, mag zijn tegenstander beslissen:
1. de boule te laten liggen op zijn nieuwe plaats; of
2. de boule neer te leggen in het verlengde van de lijn van zijn oorspronkelijke naar zijn nieuwe plaats, maar uitsluitend op toegestaan terrein en op voorwaarde dat zijn oorspronkelijke plaats was gemarkeerd. Een speler die een bewegende boule met opzet tegenhoudt, wordt onmiddellijk uitgesloten van de rest van de partij, en met hem zijn equipe.

Toegestane speeltijd

Zodra het but is uitgeworpen heeft een speler ten hoogste één minuut om zijn boule te werpen. De tijd gaat in zodra het but of de laatst geworpen boule tot stilstand is gekomen, dan wel zodra een eventuele meting verricht is.

Deze regels zijn na elke werpronde ook van toepassing op het uitwerpen van het but. Een speler die zich niet aan deze speeltijd houdt, riskeert de sancties genoemd in artikel 34.

Verplaatste boules

Als een stilliggende boule door bijvoorbeeld de wind of de helling van het terrein verplaatst wordt, wordt hij teruggelegd op zijn oorspronkelijke plaats. Dit gebeurt ook als de boule per ongeluk verplaatst wordt door toedoen van een speler, de scheidsrechter, een toeschouwer, een dier of enig bewegend voorwerp.

Om onenigheid te voorkomen moeten spelers de plaats van de boules markeren. Protesten met betrekking tot niet–gemarkeerde boules worden niet in overweging genomen; de scheidsrechter zal zich louter baseren op de feitelijke ligging van de boules op het terrein. Als echter een boule wordt verplaatst als gevolg van een in deze partij geworpen boule, blijft hij wel geldig.

Werpen van andermans boules

Een speler die met een boule van een ander speelt, krijgt een officiële waarschuwing. De geworpen boule blijft niettemin geldig, maar wordt, indien nodig na meting, onmiddellijk vervangen. Ingeval van herhaling in de loop van de partij wordt de boule van de speler die de fout maakte ongeldig verklaard, en alles wat als gevolg daarvan is verplaatst, wordt op zijn oorspronkelijke plaats teruggelegd
Spelers mogen hun geworpen boules niet vóór het einde van de werpronde oprapen.

Ongeldig geworpen boules

Een boule die niet volgens de regels is geworpen, is ongeldig, en alles wat als gevolg daarvan is verplaatst, wordt op zijn oorspronkelijke plaats teruggelegd, mits deze was gemarkeerd. Dit geldt ook voor een boule die vanuit een andere cirkel is geworpen dan die vanwaaruit het but is uitgeworpen.

De tegenstander mag echter de voordeelregel toepassen en de worp alsnog geldig verklaren. De geworpen boule blijft dan geldig, en alles wat als gevolg van de worp is verplaatst, blijft op zijn nieuwe plaats liggen.

 

 

Henkie